Prelude

Dit boek is geen boek. Het is een verzameling van negen verhalen, negen vrouwen, negen levens en negen liedjes. Het zijn negen portretten en negen momenten, even vluchtig als de uren waarin we praatten, als de minuten waarin we de muziek maakten, en als de fracties van seconden waarin de foto’s ontstonden.

Het gaat om negen bijzondere dames met wie ik een verleden had in projecten en groepen, of met wie ik een toekomst kreeg in nog andere muzikale omzwervingen. Maar de grootste toekomst, toen we eraan begonnen, lag in de uren dat we samen zaten, met een minidisc en thee tussen ons. Aan keukentafels, op zitkussens, en in donkere werkkamers waarin de silhouetten van hun handen afstaken tegen de ondergaande zon, zaten we soms ontspannen te keuvelen en dan weer te worstelen met een datum, of we wachtten met een verzwegen gevoel of wat twijfel op wie het eerst iets zou zeggen. Buiten sneeuwde het soms, andere keren was het te heet. Als ik die uren nu beluister, lijkt het uitschenken van de thee vaak oorverdovender dan de vliegtuigen die over onze hoofden naar Zaventem wilden. Maar niets zo luid als de stiltes.

Toen ik eraan begon, was er alleen het gevoel dat ik dit moest doen. Ik wou antwoorden op de vele vragen die ik kreeg als ik met mijn groep Oblomow weer eens nieuwe zangeressen voor het voetlicht bracht. Ik kende die vragen, ik had ze zo vaak gehoord. Hoe vind je die vrouwen? Wonen die allemaal hier? Hoe zijn ze hier gekomen? Hebben ze nog een ander beroep? Ik wou wel antwoorden, maar ik wist daar vaak niet genoeg voor. Ik kende hen, maar niet hun verhaal, of alleen kleine brokjes ervan.

Zangeressen hebben iets wat ze lijkt te verheffen, wat ze een diva- of godinnenstatus geeft in de ogen van een publiek of bewonderaars. Muzikanten zien dat gewoonlijk wel anders, maar ik wist toch dat deze vrouwen bijzonder waren, dat ze iets te vertellen hadden. Ze zongen het me namelijk vaak voor, in vreemde talen en met rare tongvallen. Ik begreep veel van wat ze zongen, ondanks de taal. We leerden op en naast de podia soms elkaars kleine kantjes kennen, maar nooit vroegen we elkaar naar onze grote verhalen. En dus lag er een mooie taak te wachten.

Ik wou niet alleen hun verhalen optekenen, ik wou ook hun ogen laten zien, hoe ze hun handen houden en in de zon kijken. En er was hun stem, want hoe leer je een zangeres ooit kennen zonder haar stem? Het liefst had ik hen in een doosje willen doen en bij elk exemplaar van het boek meegeven.

Ik probeerde naar hen te luisteren zoals ik met hen gitaar zou spelen. Af en toe een duwtje in de rug geven, even onderstrepen, een accentje leggen, ze aan een nieuw akkoord helpen. Wat ondersteuning bijschuiven.

Meestal zweeg ik. Ik probeerde zelfs niet te knikken. Zo bracht ik vele uren door met deze negen vrouwen en ontstond er een bijzonder soort intimiteit. De intimiteit van partners in crime. Partners in stories, in dit geval.

Naar de huidige realitynormen zijn dit geen spectaculaire verhalen, hoewel deze levens vaak dramatische wendingen namen, hoewel genocide, misbruik, asiel en vervreemding er soms een plaats in hadden. De kronkelige levenslopen van de vrouwen wisselen vaak af met een zoektocht naar een eigen identiteit, een eigen stem. Je kan iemand niet leren kennen door alleen de buitenkant te beschrijven, alleen de feiten te noteren en alleen de maten te nemen. We dwaalden vaak af, maar even vaak kwamen we terug en doken in hun ideeënwereld en hoe die gevormd was door hun levens.

Zo werden het de verhalen die ze zelf wilden vertellen. Het zijn hún woorden, een beetje opgepoetst en gefatsoeneerd door hun luisteraar. Het zijn hún verhalen. Van mij is alleen de keuze om met hen te praten…

… en muziek te spelen. Ze kozen elk een liedje, soms heel resoluut, soms na veel aarzeling. Nadat we even hadden gerepeteerd, namen we het meestal op in mijn huiskamer. Het liedje van Cécile Kayirebwa werd opgenomen in háár huiskamer, dat van BJ Scott in haar thuisstudio. Twee microfoons was alles wat we erbij nodig hadden: ik wou de zangeressen op de cd zoals ze waren, zonder snufjes, zwart-wit, zoals de foto’s. U hoort verder ook thee die in een kopje klotst, regen die over het dak stroomt, en stoelen die kraken.

Toen het idee van dit boek ontstond, was er een zekerheid. Zonder mijn maatje, mijn reisgezel, mijn derde, vierde en vijfde oog, zou het maar half werk zijn: Patrick De Spiegelaere moest de foto’s maken. We hadden al zo vaak samen het vliegtuig genomen naar onbekend gebied, ook deze klus zouden we even klaren. We maakten onze borst nat en togen op visite. Soms samen, soms apart.

Op vrijdag 2 maart 2007 zouden we toevallig allebei de laatste hand leggen aan onze taak. Ik had nog een laatste gesprek met Naira Mnoian, daarna zou ik naar Cécile Kayirebwa gaan om haar liedje op te nemen. Patrick moest nog een laatste foto nemen van Cécile. Misschien zouden we elkaar daar nog treffen. Terwijl ik bij Naira over het paradijs zat te filosoferen, wachtte Cécile – opgemaakt en ongeduldig – vergeefs op de komst van de fotograaf. In Patricks hoofd was die nacht een ader gebroken. Nadat ik dat laatste liedje had opgenomen, vond ik Patricks broer op mijn antwoordapparaat: ‘Mijn broer is overleden.’

Daarom is er geen geposeerd portret van Cécile Kayirebwa. De foto bij haar verhaal is een van de vele foto’s die Patrick maakte in de coulissen en op het podium van de Oblomowproducties. Daarom is die foto anders. Het boek is dus zoals het leven, zoals deze negen levens: onaf.

Aan het eind van deze wat moeizaam geworden reis dank ik de mensen die ons hebben geholpen, gezocht, gesteund, geïntroduceerd en verzorgd. Er waren familieleden die ons misten: Ria, Joni, Katia, Lisa, Tom en Joke. Ze hadden geen keuze, anders dan wij, die een duik genomen hadden en zouden zwemmen.

Er waren de hand- en spandiensten van Koen De Visscher, Wim Viaene, Marc Boonen en Jos Hennes, die in het project geloofden. Ronald Claessens was de goede lezer. Raf De Braekeleer, Dirk Seymus, Rik Moens, Stef Van Alsenoy, Herman Selleslags, Joris Note, Geert Van Waes en Katrien Wyckaert, het team van EPO en Open Doek – ze hebben allemaal hun steentje bijgedragen, hoewel ze vaak te vroeg informeerden of het boek nu al af was.

Er waren en zijn ook de muzikanten die met me meestapten en -stappen in de projecten rond deze dames, en die ook benieuwd zijn naar de verhalen achter de stemmen. Die – vooral als ze niet deden wat hun gevraagd werd – de muziek verbeterden en mooier maakten: Jan, Ivan, Frédéric, Frederik, Azzedine, Moufadel, Gert-Jan, Lode, Didier en Mattias.

En ten slotte zijn er de negen vrouwen zelf, die we in de loop van de productie ‘de madammen’ waren gaan noemen. Dit boek is een ode aan ‘de madammen’.

Gerry De Mol
december 2007

ik bestel het boek

Terug