Kooltjes, platanen, tamarinde, visballetjes, uien, Afrikaanse en gewone aubergines, rijst en kruiden, nog kruiden, specerijen en paprika’tjes. Grote aluminium platen, ronde wielen vol eten, nu en dan op gewone borden geserveerd of allemaal uit hetzelfde bord. Veel, te veel. En een lepel, dat krijg je ook.
We lepelen naast elkaar, je raakt elkaars alaam en armen, je kruist blikken en verdeelt een kooltje en schuift wat rijst naar iemand die er geen meer heeft.
Twee keer zijn we bij Mireille, de vrouw van Yves, voorzitter van Fotti, gaan eten. De ontwikkelingsattaché van de ambassade neemt ons uit eten bij Loutcha, een bekend restaurant met echte Afrikaanse keuken (maar een voornamelijk buitenlands cliënteel) in het centrum. In Rufisque zullen ze ons een massa schotels maken.
Niemand heeft het breed, maar er is steeds in overvloed, de rest gaat naar wie aanschuift of wie wat tekort komt. Komen eten zou hier een heel ander programma zijn , niet over elkaar de loef afsteken, geforceerde bourgeoiserietje en eetpedanterieën maar over wie nu weer zal langskomen omdat hij een deeltje van de restjes nodig zou kunnen hebben. Niet omdat het bedelen zou zijn of zelfs maar uit gebrek – we moeten als westerling ook overal mee aanschuiven – maar omdat het een manier van leven is. Het is de onze niet, maar het zou betere verhalen opleveren en intelligentere televisie.
Ik zit in Pikine het stuk te spelen met Younous, in een Centre Culturel L.S. Senghor. Vlak voor mijn voeten kruipt een kever van pakweg 10 centimeter groot over de rand van het ‘podium’ waar ik overkijk. Hij trekt zich niks aan van het geluid dat ik maak en of mijn voeten vervaarlijk dichtbij zijn. Hij duikt de diepte in waar ik nog niet heb durven inkijken, want waar zich zo ongeveer de beerput moet bevinden. Ik heb mijn buff (een multifunctionele stretch lap stof) voor mijn neus geknoopt, die bleek al vergeven van mijn eigen zweetgeur. Het enige min of meer welriekende dat ik bij me had heb ik in de buff gesmeerd en een uur lang zo proberen ademen. Dat welriekende was muggenmelk. Alles beter dan de rest.
Ik ben hier al een aantal keer geweest, niet deze plek, wel de stad, een stadskanker zouden ruimtelijke planners zeggen. Een geëxplodeerd kamp in de zeventiger jaren van migranten uit de dorpen toen de Sahel opdroogde (de eerste door de mens gecreëerde klimaatramp volgens sommige wetenschappers). Sindsdien is Pikine alleen gegroeid, tot men nu niet helemaal zeker weet hoeveel miljoen mensen er wonen, organisaties proberen er wat structuur in te brengen en werken aan hygiëne en organisatievormen, vrouwengroepen, migrantenwerk, proberen de boeren die nooit eerder uit hun dorp kwamen het leven in een overvolle stad bij te brengen. De stad heeft het imago van rotte vis, maar met de criminaliteit schijnt het de laatste tijd mee te vallen, ook al omdat criminaliteit soms nogal ostentatief wordt bestraft met een volkssnelrecht van een duchtig pak slaag. Soms meer. Soms is er teveel veiligheid, zei iemand me de laatste keer dat ik hier was.
Het cultureel centrum is een groot gebouw met diverse zalen, maar we vinden er nauwelijks een waar je maag niet omkeert als je er binnen komt. De technici hebben de hele dag geploeterd en gezweet om oplossingen te vinden voor een conciërge die betaald wil worden voor de elektriciteit die we nodig hebben, voor de totale afwezigheid van organisatoren en moeilijke omstandigheden, zweet, stof en gesleur met kabels door het stof.
Maar we spelen nu toch en de kever lijkt net zo geïnteresseerd als de vele mensen die niet zijn komen opdagen. We hebben een dertigtal toeschouwers, een oude vriend is komen opdagen, een rapper uit Pikine die in 2002 mee was op een vroegere tournee. Hij is onder de indruk, meer mensen hadden het moeten weten zegt hij.
Toen we met hem speelden was dat op straat, voor een volgelopen buurt waar de taxi’s door het volk reden tijdens het concert. Culturele centra zijn zonevreemde gebouwen hier, non places zoals Augé ze dus zou noemen dus, plekken die geen zin hebben omdat het leven zich op straat afspeelt zoals het in een dorp is. Deze stad is zich een functie aan het zoeken, nog steeds, niemand wil hier echt blijven, het is zelf een beetje een non-place, weg van de plekken waar identiteit gehaald wordt, iedereen is is eigenlijk van ‘elders’. Niemand is van hier, er wordt nauwelijks naar gerefereerd. Rotte vis laat zich niet kennen, je bent van een of ander dorp waar je grootouders ooit uit migreerden. De interne Afrikaanse migratie is tientallen malen groter dan die waar wij ons zorgen in maken, en dat voel je hier ook.
Ik lees in de krant een artikel over een grensdorp bij Gambia. Migranten uit andere landen moeten in Gambia een verblijfsvergunning betalen, dat kost zo’n 20.000 CFA, 30 euro ongeveer, een klein fortuin. Gambia heeft besloten dat wie dat niet kan betalen gewoon de grens wordt overgezet in dat dorp aan de grens met Senegal, ongeacht vanwaar ze komen. Ze worden uit hun huis geplukt en met de politie afgezet in een ander land, sommigen gaan terug om hun spullen te recupereren (de grens is makkelijk weer over te steken), andere blijven in het dorp steken en wachten op een betere tijd. Als je echter weet dat de meesten in de handeltjes nooit genoeg geld hebben om op een briefje van 5000 CFA terug te geven, dan weet je dat de meesten nooit aan die dertig euro zullen komen. En dus heeft het dorp te lijden van de armen, mensen die geen onderdak hebben, blijven rondhangen, bedelen, stelen, in vechtpartijen betrokken raken voor wat er overschiet. Het dorp wordt gedestabiliseerd, de autochtone bevolking protesteert. Herkenbaar?
Rufisque aan de zee, of beter, de zee aan Rufisque. Het is een koloniaal stadje met balkons aan de huizen, nog best in goeie staat, tweehonderd meter diep tussen de snelweg die een natuurlijke bottleneck vormt voor alle verkeer naar Dakar en de zee. 12 jaar geleden was ik hier ook, er werd me getoond hoe de huizen door erosie in de zee verdwenen. Het had – als de herinnering me toelaat – te maken met een havenproject. Nu zie je nog waar de huizen stonden, er zijn grote vulkanische rotsblokken aangevoerd en het ‘strand’ is een puinhoop, letterlijk dan, van de huizen die er ooit stonden. In de verte zie je Dakar liggen en in de mooie wolkenlucht kan je zo de oranje walm volgen – en eind de zee in – die de wagens van Dakar uitspuwen.