Het is een uur ’s nachts. De mevrouw van de dibiterie naast het hotel neemt haar pannen, gooit er een handdoek over en staat op. De dag zit er op. In een dibiterie kan schapenvlees met mosterd kopen, per kilo. Je kan hier op dit uur ook nog een banaan halen om de hoek, of mocht het nodig zijn even verder een stuk zeep of een blik van het een of het ander.
Het meisje in haar glittergouden jurk en vreemde kapsel doet wat aan de The Three Degrees denken wil 2 bananen. Ze neemt een korte pauze en loopt wat heen en weer, giechelend, met haar gsm open in haar hand. Er mocht zich eens communicatie andienen. Gsm’s liggen hier vaak open in een hand. Ze wachten ook veel op gebruik.
Ik was al veel eerder op mijn kamer, maar het geluid van Afrikaanse drums en percussie trok me weer naar buiten. Ik heb een uur staan kijken naar een bende drummers, en af en toe iemand die wat zong of riep in een geluidsversterking die de klank van een muezzin produceerde. Twee sterke lampen lagen op de boxen, eentje veel te dicht want de stoffen bekleding begon al te smeulen. Ach, een rookpluimpje meer of minder doet er hier niet echt toe.
Ik heb ooit getoerd met zo’n bende drummers, dus dat doet herinneringen terugkomen. Zo’n bende percussionisten is een locomotief, een gigantische camion die alles op zijn weg opvreet. Het is als een explosie van alle opgeklopte, gespannen, bijgehouden vezels in een lijf of acht.
Op plastiek stoeltjes in een rechthoek van pakweg 10 bij 20 meter zitten bijna alleen vrouwen. Een voor een komen ze naar het midden van het zo ontstane pleintje en dansen 20 seconden hun complexe, energieke en breed uitgemeten snelle bewegingen. Niet langer, want de gecontroleerde weggooibewegingen van de ledematen en wat daaraan vasthangt zal niemand langer volhouden. Het is een vorm van waanzinacrobatie. Een meisje van pakweg tien jaar gaat eerst, dan graatmagere in jeansbroeken gesmolten meisjes met dreadlocks en een blote buik (ze worden wel eens discettes genoemd hier), dan pas de in kleurige pagnes gedrapeerde dames met iets meer inhoud die het net een tikkeltje kalmer aan doen. Maar daarom niet minder elegant.
Een groep dansers doet een heel mannelijke, maar niet minder heftige choreografie. Er wordt geapplaudisseerd, er wordt gelachen, er valt gegiecheld en er schieten kreetjes uit de grond op. Het tafereel drukt op mijn ogen, zoals de eerste keer dat ik peulviolisten hoorde in een donker krocht in Kolda, zoals de eerste keer dat ik die dansen zag. Zoals ik soms de fadozangers kan liefhebben, een soort symbiose van het lijfelijke, het individuele recht op je 20 seconden en toch uiteindelijk een scherpe gemeenschapsvorm. Ach, het is ook een marktplaats, waarin appreciatie wordt getoond in de meisjes die voor de jongen dansen met de tip van hun pagne een beetje opgeheven of de mannen die met borst vooruit hevige lendenschokken demonstreren.
Daar sta ik dan als witte man in een donker hoekje van een stoffig plein. Hier maakt het niet uit, niemand spreekt me aan. Ik sta gewoon, zoals de andere omstaanders, min of meer een zoutzuil. Tien meter verder gaat het leven gewoon door, het is een eilandje waar we op zitten.
Een van de magere meisjes staat op, huppelt op lange stelten naar voor, neemt de rand van haar T-shirt vast en slingert haar lange benen boven haar hoofd, haar armen en vingers maken lange bogen. De drummers volgen naadloos tot en met het kleine sprongetje en de hoge slag wanneer ze finaal neerkomt. Het vergt jaren om deze vormen in je lijf en je handen te krijgen, deze manieren van improviseren, samen zijn en toch individueel. Druk achter de ogen.
Vanwaar kan dat zo plots komen? Iemand moet maar iets winnen, een gouden medaille of zoiets. Een schoon beeld, een stuk muziek, een gedicht. Of zoals deze middag.
We liepen op het eiland Goree. Ik ben daar al een keer of vier geweest, bij wijze van afleiding, Goree is ondanks de verkopers vrij rustig. Er staat een slavenhuis en daarom nemen we de boot naar het kleine koloniale stadje, Unesco werelderfgoed. Goree was ontspanning, fris, rustig eten, slenteren door de straten, het slavenhuis bezoeken, in de straten wat keuvelen. Onnozel doen tegen verkopers en verkoopsters.
We kwamen bij een huis dat ik vaag herkende. Een oud koloniaal huis, de deur stond op een kier, het was leeg en enorm. Er waren zuilen, galerijen, een binnenplein met uitzicht op zee. Het is de gouverneurswoning, afgebladderd en met nog half afgesleten trappen nauwelijks zichtbaar. Er stond een stoel die zijn achterste poten mistte en die met zijn zitting op een hoopje stenen was neergeplant, er zat een grote roofvogel statisch te zijn.
Ik was de eerste die binnen stapte, door de poort naar het binnenplein van de oude gouverneurswoning. Ik herinnerde me plots het binnenplein toen ik hier een van de vorige keren was. Het moet bijna tien jaar geleden geweest zijn. Er stonden toen een paar kunstwerken op het plein en in de gangen. Nu hangt er wat was te drogen.
Ik herinner met een kleine jongen die ons hier aansprak zoals ze dat hier kunnen doen. “Grand. Wat kom je hier doen? Vanwaar ben je?“. En we antwoordden, stapten rustig verder, namen een foto. Het jongetje zou ons een munt vragen. We zouden al lachend iets terugzeggen, dat herinner ik me nog, maar niet meer wat we precies hebben gezegd. Een grap uithalen met de verkopers is de beste manier om ze van je af te schudden. En we zijn weer naar buiten geslenterd. Ik moet als ik weer thuis ben die foto’s nog eens opzoeken. Het was het jaar dat een van de verkoopsters niet genoeg haar op mij hoofd vond om vlechtjes te leggen en dan maar mijn borsthaar in vlechtjes legde. Twee. Kleintjes.
Wij dus, ik en mijn dode vriend. Verdomd dat ik niet meer op ons antwoord kan komen, misschien komt het terug als ik de foto’s zie. Van het gebouw is in die tien jaar ook veel verdwenen aan verf en kalk en stenen en betekenis.
Die druk achter je ogen, het kan je soms zo plots en onverwacht overkomen. Er moet maar iemand mooi dansen, er moet maar iemand een medaille winnen, er moet maar iemand plots in je hoofd opduiken, je moet maar ergens terugkomen. Al goed dat ik alleen was. Heel even. Ik heb een foto genomen van die stoel waar hij fier zou over geweest zijn, mo kellachje, ooit leer je het misschien wel eens.
Terug in het hotel hoor ik de drummers en zangers nog in mijn kamer door het enkel glas, ik herinner me dat ik oordopjes mee had. Het helpt.
Yoff. Er komen golven aan die aan ons sleuren als ze zich terugtrekken, ze klampen zich aan onze kuiten vast en trekken en trekken. Ze komen hoog en hoger en breken dan in schuimrubber in ons gezicht. We duiken erover. We laten ze tegen onze rug aanbotsen en tegen onze buik kletsen. Ze hogen zich op en laten zich neervallen als kamikazedruppels.
De laatste keer dat ik dit deed was het in een stille oceaan, ergens aan een godvergeten stuk kust in Nicaragua, veel te lang geleden. Toen waren de golven hoger, misschien had ik surfer moeten worden. Te laat daarvoor. Nu ben ik hier in Yoff bij het huis van een vriend die ons is komen halen en die naar het strand wou. Een goed idee zo bleek, de zee koelt ons af, spoelt het zout van ons zweet weg met het zout van de oceaan. Oceanen zijn beter om in te zwemmen, ze zijn beter voor ons denk ik. Een volstrekt onverantwoorde gevolgtrekking van een aangenaam uurtje golfduiken, het dichtste dat ik dit jaar kwam bij een rollercoastergevoel.
We liggen even later onder een afdakje, ik en mijn vriend Thierno Seydou Sall en zijn neef, die ook Thierno Seydou Sall heet. De eerste werkt al sinds mensenheugnis voor NGO’s in Dakar en is de bureaucratie beu. Hij wil weer het terrein op. De laatste is een dichter, ik las onlangs nog een gedicht van hem uit een bloemlezing Afrikaanse gedichten van Hamidou Dia, Ik dacht nog te vragen of het over mijn vriend ging, maar het was zijn neef.
We discussieren over Obama. Afrikanen geloven weer een beetje in Amerika, Hoe het tij kan keren. Politiek is nooit ver weg. We rijden langs een verkaveling met appertementsgebouwen met even verder het monstrueuse standbeeld van president Abdulaye Wade, een gedrocht van laat neo realistische socialistische kitch, stijl Stalin. Het heet de renaissance van Afrika. Het ding is tientallen meter hoog en domineert de skyline in de buurt van het vliegveld. Geruild met een stuk grond van 65 miljard CFA waarop Noord- Koreanen nu die appartementen bouwen. Het standbeeld heeft 15 miljard euro gekost. Vijftig miljard cfa winst, zo wordt gezegd. De werken werden en worden uitgevoerd door een vriend van de president. De inhuldiging is voor binnenkort.
De bevolking lijkt nogal unaniem in zijn mening over Wade. Maar waar is het alternatief? Vanuit de Civil Society (ngo-mensen, actievoerders, verenigingen, basiswerkers,…-) wordt naar een geloofwaardig alternatief gezocht. We zijn er nog niet, ik hoor dat verhaal al jaren hier.
We raken het erover eens dat Obama zijn nobelprijs heeft gekregen op basis van zijn speechen. Er wordt afgewogen welke nu de beste speech van Obama was. Er wordt getwijfeld. In Afrika kan een speech nog tellen, iedereen doet het wel eens of droomt ervan en breedvoerigheid staat nog hoog aangeschreven. Als er iets te gebeuren valt buiten het alledaagse staat er een rijtje speechers klaar en worden die elk onderling met de organisator en de fournisseur van parafernalia bedankt. Retoriek is hier dagelijkse kost, gisteren hield onze taxichauffeur een monoloog van zeker een kwartier over hoe je best de weg indiceert van het centruim naar waar ons hotel gelegen is.
Maar nu is Amerika weer een land van belofte geworden. IK kijk rond terwijl ik luister en spaarzaam de conversatie opluister. In de tussentijd heeft iemand aan het strand een band rechtgezet als goal voor een voetbalwedstrijdje, er zijn vier paardenkarren voorbij gereden en twee 4x4’s met toubabs erin (witte mensen), er zijn gesluierde meisjes langs gekomen en iemand heeft zich in een heel verre spreidstand tot de grond staan rekken. Er is een mevrouw voorbij gekomen met souvenirs, de zon is wat verder opgeschoven. Iemand met een anorak en zijn kap op wandelde voorbij, een wat oudere blanke vrouw zwom parallel met de kust voorbij.
Van de Seydous heb ik na een week of twee zoeken uiteindelijk het telefoonnummer van een oude bekende teruggevonden, Het netwerk functioneert, constateren we tevreden. De tweede Seydou Sall kende iemand die iemand kende die Kan Si’s nummer had. Kan Si is een plastisch kunstenaar die ooit in Turnhout exposeerde. Ik bel hem, we kunnen direct komen.
Hij is en blijft de verstandige bedachtzame man die ik kende van zeker 9 jaar geleden. Hij werkt aan een holistisch cultureel centrum in Joual, met zijn vrouw, een Amerikaanse kunstenares. Van sommige mensen kan je snel gaan houden. Kan Si is een van de weinige artiesten die zijn sociaal inzicht ook in kunst kan omzetten en daarbij nog coherent en relevant met de bevolking en de juiste organisaties in contact blijft. We spreken af, we moeten elkaar vaker zien, en of ik niet met hem een project wil doen in Joual. Hij schuift me een cd met serrermuziek toe.
In een bakkerij kopen we die avond brood, in een winkeltje een pakje La Vache Qui Rit, we nemen een taxi terug naar het hotel, De hele dag hebben onze vrienden en passanten het over het slechte weer in Europa, De vluchten van SN die vertraging hebben, de kou (en ze vinden het hier al zo koud, zeker amper 23 granden of zo). In het hotel bekijken we de berichtgeving over de thuissituatie: Mijn God! Claudia Schiffer heeft vast gezeten in een defecte Eurostar. Nu is de wereld helemaal naar de kloten.